Verkeerstheorie
10. Taal van de weg
10.2. Passieve taal van de weg
1. Verkeerslichten
2. Voetgangerslichten:
- Groen: uitkijken en oversteken
- Groen knipperlicht: niet meer beginnen met oversteken; ben je aan het oversteken, dan vlug doorlopen
- Rood: nooit oversteken
Veel voetgangerslichten werken als je op de drukknop indrukt. Sommige lichten maken geluid: bij rood licht een tikkend geluid en bij groen licht een ratelend geluid. Zo kunnen blinden en slechtzienden horen of het licht op groen of op rood staat.
B. Verkeersborden
C. Tekens die op het wegdek geschilderd worden
1. Voorsorteervakken Afspraken:
- Je moet rijden in het vak of op de strook waarin de pijl staat in de richting die je wilt volgen; zodra je naast een doorgetrokken lijn rijdt, mag je het vak niet meer verlaten.
2. Stippellijnen Twee richtingen. Je mag als het nodig is, over die streep heen.
3. Doorgetrokken lijnen Bij een doorgetrokken lijn mag je niet over de lijn komen.
4. Rechthoekjes Inrijdzijde (soms over de volle breedte van de weg, éénrichtingsverkeer, en soms gedeeltelijk).
5. Zebrapaden
- Steek over bij het zebrapad, als dat dichtbij is; wacht met het oversteken tot het verkeer voor jou stopt of voorbij is;
- Blijf goed uitkijken als je oversteekt.
6. Stopstreep Je moet stoppen voor de stoplijn, ook al is er geen verkeer op de andere weg.
7. Haaientanden Je moet iedereen die van links en van rechts komt aanrijden voor laten gaan (= voorrang geven). Soms over de hele breedte van de weg, wanneer je een éénrichtingsverkeersweg verlaat.
8. Combinatie haaientanden/stopstreep Je moet stoppen en iedereen voor laten gaan.
9. Verkeersdrempel Op bepaalde plaatsen worden soms voor de veiligheid van de voetgangers verkeersdrempels geplaatst. Een verkeersdrempel dwingt een automobilist om snelheid te verminderen.
Conclusie:
Tekens die langs de weg staan en die op het wegdek geschilderd worden om de verkeersdeelnemers iets duidelijk te maken, noemen we de passieve taal van de weg.
We kunnen dus zeggen dat het verkeer te land geregeld kan worden door:
- Afspraken — Bijvoorbeeld: we fietsen en lopen rechts; bij richtingsverandering steken we de arm uit.
- Verkeersborden — Zie volgend hoofdstuk.
- Tekens op de weg — Bijvoorbeeld: stippellijn, haaientanden.
- Verkeerslichten — Bijvoorbeeld: als het licht op rood springt, moet je stoppen.
- Verkeersregelaars — Bijvoorbeeld: politieagenten, brigadiertjes.