Verkeerstheorie

9. De fiets

Op ons eiland zijn er heel wat fietsen. Sommige kinderen mogen met hun fiets de openbare weg op. Zodra je met de fiets op de openbare weg bent, behoor je tot het verkeer en moet je de verkeersregels voor de fietser toepassen. Hier op ons eiland zijn er bijna geen fietspaden en dus moet de fietser gebruik maken van de wegen die bestemd zijn voor het overige verkeer. Hierdoor is het risico van een ongeluk voor fietsers erg groot.

Aan welke eisen moet een fiets in het verkeer voldoen?

  1. Een fiets moet een goedwerkend stuur hebben.
  2. Een fiets moet een goedwerkende bel hebben.
  3. Een fiets moet minstens één goed werkende rem hebben.
  4. 's Avonds moet een fiets een brandend voorlicht hebben, wit of geel van kleur, een brandend rood achterlicht en een reflector. (Sommige fietsen komen al met hun reflector.)

Voor de veiligheid is het ook verstandig als je fiets het volgende heeft:

  1. De bel is hoorbaar tot 25 meter van de fiets vandaan.
  2. Je fiets moet een achterspatbord hebben, waarvan een gedeelte van 30 cm lang wit van kleur moet zijn.

Je fiets moet dus voldoen aan de eerste 4 punten. Maar voor een veilige fiets, moet je fiets voldoen aan alle 6 punten.

Wat mag je niet als fietser?

  • Je mag je niet door een ander voertuig laten voortrekken.
  • Je mag niet zonder handen rijden.
  • Je voeten moeten op de trappers zijn.

Wat moet een fietser goed weten voordat hij op de openbare weg gaat?

  • Een fietser moet altijd minstens één hand aan het stuur hebben. Een fietser moet beide voeten op de trappers hebben.
  • Fietsers rijden maximaal twee naast elkaar.
  • Het voorlicht van de fiets moet schuin naar beneden uitstralen en mag niet verblindend werken voor de andere weggebruikers.
  • Een fietser moet rechts van de weg rijden en links inhalen.
  • Een fietser moet een bocht naar links zo groot mogelijk maken en een bocht naar rechts zo klein mogelijk maken.
  • Een fietser moet altijd duidelijk aangeven wat hij van plan is te gaan doen. Dit is in het belang van zijn eigen veiligheid en ook die van een ander. Dus:
  • Wil een fietser links afslaan, dan moet hij eerst omkijken of er ander verkeer aankomt. Hij moet duidelijk aangeven dat hij links wil afslaan door zijn linkerhand uit te steken. Een fietser die wil stoppen moet dit ook heel goed aangeven door zijn linkerhand op en neer te bewegen.
  • Een fietser mag maar één passagier vervoeren en alleen als de fiets daarvoor ingericht is. Dus met een zitje (bijvoorbeeld een bagagedrager) en voetsteunen.
  • Een fietser mag niets op de fiets meenemen dat breder is dan 75 cm.
  • Een fietser mag zich nooit laten voorttrekken door een andere fietser of een ander voertuig.
  • Een fietser mag geen gevaarlijke voorwerpen op zijn fiets meenemen.