• Theorie

    De volledige cursus bestaat uit 8 categorieën en in totaal 130 vragen.
    Hieronder vind je per categorie voorbeeldvragen—slechts een klein voorproefje van wat je kunt verwachten!


    Quiz 1 – Rijbewijs en Documenten


    1. Welke categorieën voor het rijbewijs zijn er?

    A A, B, C, D, E, AE, BE, CE, DE

    B A, B, C, D, E, BE, CE, DE  

    C A, B, C, D, E, AE, BE, CE


    2.  Met welke categorieën mag je een lichte aanhangwagen voortbewegen?

    A Cat A

    B Cat B

    C Cat C

    D Cat D

    E Cat E


    3. Wat is een lichte aanhangwagen?

    A Lichte aanhangwagens zijn die, waarvan het maximum toegestane gewicht niet meer bedraagt dan 750 kg.  

    B Lichte aanhangwagens zijn die, waarvan het maximum toegestane gewicht niet meer bedraagt dan 700 kg.

    C Lichte aanhangwagens zijn die, waarvan het maximum toegestane gewicht niet meer bedraagt dan 850 kg.


    Quiz 2 – Algemene Gedragsregels en Verkeersdeelname


    1.  Hoe moet een deelnemer aan het verkeer zich gedragen?

    A Op een manier dat de veiligheid nooit in het geding komt.

    B Op een manier zoals hij of zij dat wilt.

    C Op een manier dat de vrijheid van het verkeer op de weg zonder noodzaak wordt belemmerd of de veiligheid op de weg in gevaar wordt gebracht.  


    2.  Wanneer is het voor een bestuurder verboden om met een voertuig over de weg te rijden?

    A Nooit. Hij is immers in bezit van een rijbewijs.

    B Wanneer hij onder invloed is van een alcoholhoudende drank of andere bedwelmende middelen dat hij niet in staat moet worden geacht het voertuig naar behoren te besturen.

    C Indien hij door ouderdom, zwakte, ziekte of vermoeidheid of wegens andere oorzaken klaarblijkelijk daartoe onbekwaam is.


    3  Wanneer je een voertuig onder toezicht bestuurt, mag je altijd de weg op als je zelf niet onder invloed bent.

    A Ja

    B Nee 


    Quiz 3 – Snelheid, Rijbaan en Volgafstand



    1.  Wat is de maximum snelheid binnen de bebouwde kom?

    A 30 km/u 

    B 40 km/u

    C 50 km/u


    2.  Wie moet op hellende wegen, als bestuurders elkaar tegemoet komen en er niet voldoende ruimte is om te passeren, doorgang verlenen?

    A Het dalende voertuig.  

    B Het voertuig dat omhoog rijdt.